1. Toxisch
Schadelijk of giftig voor iemands mentale of emotionele gezondheid. Wordt vaak gebruikt om relaties of personen te beschrijven die destructieve patronen vertonen.
2. Narcisme
Een persoonlijkheidspatroon dat wordt gekenmerkt door gebrek aan empathie, grootheidsgevoelens en een sterke behoefte aan bewondering. Wanneer de trekken zich ontwikkelen tot persoonlijkheidsstoornis, spreekt men van Narcissistic Personality Disorder of NPD.
3. Gaslighting
Een manipulatietechniek waarbij de dader het slachtoffer aan zijn eigen geheugen, waarneming of gezond verstand doet twijfelen. Leidt tot cognitieve dissonantie.
4. Love bombing
Overdreven aandacht, liefde of cadeaus aan het begin van een relatie, bedoeld om iemand snel emotioneel afhankelijk te maken.
5. Idealiseringsfase
De beginfase van een toxische relatie waarin het slachtoffer op een voetstuk wordt geplaatst, meestal met love bombing. Eerste fase van een narcistische relatie.
6. Devaluatie
De fase waarin de dader plots kritiek, minachting of kilte toont na de idealisering. Tweede fase van een narcistische relatie.
7. Discard
Het plots afstoten of in de steek laten van het slachtoffer, vaak koud en zonder uitleg. Derde en laatste fase van een narcistische relatie.
8. Hoovering
Pogingen van de dader om het slachtoffer terug te trekken in de relatie, bv. met spijtbetuigingen of beloftes. Gebeurt na de narcistische breuk, wanneer de nieuwe supply ontgoochelt, of om van twee walletjes te eten.
9. Silent treatment
Het opzettelijk negeren van het slachtoffer om macht of controle uit te oefenen. Deze stiltebehandeling blijkt emotioneel zeer schadelijk.
10. Triangulatie
Het betrekken van een derde persoon in een conflict of relatie om jaloezie, onzekerheid of competitie uit te lokken.
11. Flying monkeys
Hulptroepen van de dader (vrienden, familie, collega’s) die worden ingezet om het slachtoffer te controleren of te intimideren. Doorgaans simpelen van geest die de alternatieve realiteit vanuit de narcist zonder argwaan aanvaarden.
12. Projecteren
Het toeschrijven van eigen negatieve eigenschappen of gedragingen aan het slachtoffer.
13. Blame shifting
De schuld voortdurend bij andere personen of omstandigheden leggen om eigen verantwoordelijkheid te ontwijken. Verwant aan victim blaming, waarbij men het slachtoffer bedenkt met de verantwoordelijkheid voor wat hem is aangedaan.
14. Cognitieve dissonantie
De spanning die ontstaat wanneer iemand twee tegenstrijdige overtuigingen of gevoelens ervaart, bv. houden van iemand die ook pijn doet. Ook: gaslighting ervaren en (moeten) geloven vanuit loyauteit tegenover de partner, tegenover de eigen vaststellingen van de realiteit. Wanneer deze mentale stress gedurende jaren wordt opgebouwd, wordt deze een belangrijke component in C-PTSD.
15. Trauma bonding
Sterke emotionele hechting aan een misbruiker door afwisseling van beloning en straf. Het beloningssysteem in de hersenen wordt gekaapt middels intermittent reinforcement. Verklaart waarom slachtoffers van fysiek of psychisch geweld de dader moeilijk kunnen verlaten of afwijzen.
16. Intermittent reinforcement
Onvoorspelbare afwisseling van liefde en afwijzing, waardoor het slachtoffer emotioneel verslaafd raakt. Vergelijkbaar met de jacht naar de dopamine-kick bij het gokken.
17. Gaslighting by proxy
Wanneer derden worden ingezet om het slachtoffer te doen twijfelen aan zijn werkelijkheid. Zie ook flying monkeys.
18. Future faking
Beloften maken over een gezamenlijke toekomst die nooit worden waargemaakt. Hiermee bindt de narcist zijn doel langdurig, om exclusief toegang te hebben tot diens toewijding en middelen.
19. Smear campaign
Een lastercampagne waarbij de dader de reputatie van het slachtoffer probeert te kelderen. Gebeurt vaak uit vrees dat het slachtoffer te geloofwaardig zal zijn wanneer hij de dader ontmaskert.
20. Emotional blackmail
Chantage via schuldgevoel, angst of verplichtingen.
21. Grey rocking
Een zelfbeschermende techniek waarbij het slachtoffer zich zo emotieloos en saai mogelijk opstelt om geen voeding te geven aan de dader, even interessant als een grijze steen.
22. No contact
Een strategie waarbij alle vormen van contact met de dader worden verbroken om herstel mogelijk te maken. Zorgt bij narcisten voor het droogvallen van de narcissistic supply en het verlies van controle.
23. Low contact
Minimale communicatie, vaak toegepast bij gedeeld ouderschap of werkcontext.
24. Hypervigilantie
Aanhoudende staat van alertheid en stress, vaak een gevolg van misbruik.
25. Codependency (wederzijdse afhankelijkheid)
Een patroon waarin iemand zijn eigenwaarde afleidt uit het pleasen of redden van de ander.
26. Fawning
Een stressreactie waarbij men overmatig toegeeft of zich onderwerpt om conflicten te vermijden. Verwant aan het Stockholm-syndroom.
27. Dissociatie
Een verdedigingsmechanisme waarbij men mentaal afstand neemt van pijnlijke ervaringen of emoties.
28. Complex PTSD (C-PTSD)
Complex Post Traumatic Stress Disorder. Langdurige psychische gevolgen van herhaald trauma, vaak door emotioneel of relationeel misbruik.
29. Stockholm-syndroom
Een psychologisch fenomeen waarbij slachtoffers sympathie of loyaliteit ontwikkelen voor hun misbruiker. Zelfbeschermingsreflex die verwant is met fawning.
30. Hoover trigger
Een situatie of gebeurtenis die de dader gebruikt als excuus om terug contact te zoeken, zoals verjaardagen, gemeenschappelijke kennissen, of herinneringen van weleer.
31. Narcissistic supply
De aandacht, bewondering of emotionele reacties die de dader nodig heeft om zich belangrijk te voelen. Ook: de persoon die dat kan leveren en daarom een doelwit wordt.
32. Pathologische jaloezie
Ongegronde en overdreven jaloezie die vaak leidt tot controle en beschuldigingen.
33. Splitting
Zwart-wit denken, typisch bij borderline: mensen of situaties zijn óf volledig goed, óf volledig slecht.
34. Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD)
Een stoornis gekenmerkt door instabiele emoties, wisselende relaties en een wankel zelfbeeld.
35. Antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPD)
Een stoornis waarbij iemand structureel lak heeft aan sociale normen, regels en rechten van anderen.
36. Psychopathie
Ernstige vorm van antisociale trekken met gebrek aan empathie, manipulatief gedrag en soms criminele neigingen.
37. Sociopathie
Vergelijkbaar met psychopathie, maar vaak meer impulsief en minder berekend.
38. Silent discard
Een variant van discard waarbij de dader simpelweg verdwijnt zonder uitleg of afsluiting. Ghosting in zijn engste vorm.
39. Narcissistic rage
Hevige woede of agressie wanneer het ego van de dader wordt gekrenkt.
40. Narcissistic mortification
Heviger vorm van narcissistic rage wanneer de narcist vreest ontmaskerd te worden en zijn opgebouwde machtswereld dreigt in elkaar te vallen. Inschakeling van derden om strafexpedities uit te voeren, alsook eigen hysterisch, dramatisch of hardhandig ingrijpen, behoren tot de mogelijkheden. Op dergelijk moment komt de kwaadaardig narcist heel dicht bij de psychopathie.
41. Narcissistic collapse
Volledige inzinking wanneer de narcist ontmaskerd werd en zijn/haar kaartenhuisje in elkaar valt. Gevolgd door extreme aanstellerij en slachtoffersimulatie om ingrijpende conclusies, inzichten en wijzigingen te ontwijken.
42. Re-traumatisering
Het opnieuw ervaren of uitgelokt worden van oude trauma’s door nieuwe situaties of relaties.
43. Guilt tripping
Manipulatietechniek waarbij men valselijk wordt wijsgemaakt dat men iets verkeerd heeft gedaan, opdat het slachtoffer zich schuldig zou voelen, zich koest zou houden, of ertoe bewogen kan worden de fictieve fout goed te maken door een verregaande toegeving te doen. Maakt nadrukkelijk gebruik van het verschil in geweten tussen dader en slachtoffer.
44. Histrionische Persoonlijkheidsstoornis (HPD)
Een psychische aandoening gekenmerkt door een overmatige behoefte aan aandacht, goedkeuring en bevestiging van anderen. Personen met HPD vertonen vaak dramatisch, emotioneel of verleidend gedrag om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hun emoties lijken intens maar zijn vaak oppervlakkig en snel wisselend, wat duurzame relaties bemoeilijkt.
45. Cluster B
De Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders, 5th edition (kortweg DSM-5), het referentiewerk dat psychische fenomenen en aandoeningen catalogeert, deelt de persoonlijkheidsstoornissen op in drie clusters: A, B en C. De gevaarlijkste voor derden zien de vier stoornissen uit Cluster B: de dramatische, emotionele of impulsieve aandoeningen. Dit zijn: Antisociale Persoonlijkheidsstoornis, Borderline Persoonlijkheidsstoornis, Histrionische Persoonlijkheidsstoornis en tenslotte Narcistische Persoonlijkheidsstoornis.
46. Comorbiditeit
Het gelijktijdig voorkomen van meerdere psychische aandoeningen bij dezelfde patiënt. Zo kan iemand met NPD tegelijk kenmerken vertonen van borderline persoonlijkheidsstoornis, zoals verlatingsangst en explosieve emoties. Die combinatie maakt diagnose en behandeling complexer.
